Kwabaal

Door de grote hoeveelheid regen in januari was er op TV Drenthe zelfs een nieuwsitem over de hoge waterstand van de Drentse Aa. Daarin kwam ter sprake dat de ondergelopen weilanden, in combinatie met het koude weer, ideaal voor de kwabaal zijn. Tot mijn verbazing had ik nog nooit van deze Nederlandse zoetwatervis gehoord. Een belangrijke reden is dat ik niet zoveel op heb met vissen, behalve op mijn bord.

De kwabaal heeft niets met een paling te maken, het is de enige zoetwatervis uit de kabeljauwfamilie. Naast een korte rugvin heeft hij een kenmerkende lange rug- én buikvin. De enkele baarddraad op de onderkaak en het aanhangsel bij de neusgaten zijn ook kenmerkend. Hij is overwegend groenbruin van kleur met een iets lichtere onderzijde. De vissoort heeft een voorkeur voor stromend water en grote diepe plassen. In Nederland voornamelijk in de grote rivieren, de Biesbosch, het Ketelmeer en het Utrechtse plassengebieden. Lokaal komt hij voor in de Wieden en mogelijk nog in de Drentse Aa.

De kwabaal is een bodemdier, die vooral 's nachts actief is en overdag zich schuil houdt in spleten in de oever of onder stenen, wortels en waterplanten. Het is een van de weinige vissen die juist in de winterperiode en vroege voorjaar actief is. In de zomer houdt de kwabaal een soort zomerslaap of trekt naar dieper, koeler water. De paaitijd is in de winter, tussen november en maart, bij temperaturen net boven het vriespunt. Gewoonlijk is een wijfje zeer productief, ergens tussen de honderdduizend en vijf miljoen eitjes. De larven komen na 6-10 weken uit, en voeden zich de eerste dagen vooral met plankton. Daarna eten de jonge kwabalen voornamelijk insectenlarven, wormen en vlokreeftjes. Volwassen exemplaren, die ruim een halve meter kunnen worden, eten vooral bodembewonende vissoorten. Zelf is hij overigens goed eetbaar en zijn lever schijnt een delicatesse te zijn.

Verschenen 6 februari 2008