Kneu

Een hobby begint natuurlijk met extra interesse voor het betreffende onderwerp. Vervolgens koopt men allerlei hulpmiddelen of verzamelobjecten, met betrekking tot dat onderwerp. In de jaren zeventig begon voor mij het kijken naar vogels als hobby met de aanschaf van een verrekijker en een vogelgids. Mijn eerste vogelgids was de toentertijd het bekende boek “Wat vliegt daar” van Wim van Dobben. Een beetje summier, maar goed genoeg voor een beginnend vogelaar.

Vogels zoals de koolmees of de roodborst zijn niet zo bijzonder, want die zijn algemeen bekend. Daarvoor is zo’n vogelgids niet belangrijk. Leuker is het als je de eerste vogel kunt determineren dankzij de net aangeschafte vogelgids. Mijn eerste vogel was de kneu. Van een afstand en al vliegend heeft deze vogel wel iets weg van een huismus, met name het vrouwtje. Echter als je het mannetje in zijn zomerkleed kunt waarnemen, dan blijkt deze vogel toch wel prachtig te zijn.

Toen ik het mannetje voor het eerst zag door mijn verrekijker, was ik aangenaam verrast. Ik vroeg mij zelfs even af waarom de roodborst als zodanig heette, want zijn kleur neigt meer naar oranje. Het mannetje van de kneu in zomerkleed komt daar veel meer voor in aanmerking. Zijn borst is prachtig rood van kleur, omschreven als scharlaken- of karmijnrood. Dat de kneu niet de naam roodborst heeft gekregen zal wel zijn omdat het vrouwtje niet als zodanig gekleurd is en de rode kleur van het mannetje ‘s winter nagenoeg afwezig is. Bij de roodborst zijn beide geslachten gekleurd en tevens het gehele jaar.

In de jaren zeventig woonde ik nog in de Noordoostpolder, een gebied wat nog niet zo lang ontgonnen was. Met andere woorden een erg open landschap met lage begroeiingen. Nog geen hoge bomen, slechts lage struiken. Het ideale biotoop voor de kneu. In de lage struiken broeden ze, soms meerdere paartjes bij elkaar. In de omgeving zoeken ze, vaak op de grond, naar hun voedsel, voornamelijk zaden en insecten. ’s Winters bestaat hun menu voornamelijk uit zaden.

Verschenen 13 april 2016