Boekweit

Een pannenkoek met spek en stroop. Ik wil niet beweren dat je mij daar midden in de nacht voor wakker kunt maken. Maar het scheelt niet veel. Nu mijn beide dochters het huis uit zijn, staan pannenkoeken thuis jammer genoeg minder vaak op het menu. Dat terwijl het maken van pannenkoeken vrij simpel is. Wat meel, een scheut melk en een paar eieren erbij en je kunt gelijk bakken. Misschien ben ik er wel iets te lui voor. Maar eens in de zoveel tijd kom ik nog wel eens in een pannenkoekenhuis of –schip. Dan staat de eerdere genoemde variant met spek steevast op mijn menu.

Het meel voor de pannenkoeken is tegenwoordig meestal tarwemeel, maar van oudsher gebruikte men het meel van boekweit. Vooral in onze provincie was de teelt van boekweit toentertijd belangrijk. Dit gewas deed het naar omstandigheden relatief goed op de arme gronden. Want op vruchtbare gronden, zoals op de kleigronden, groeit dit gewas te weelderig, met veel bladvorming en weinig zaadvorming. Mesten is dan ook meestal niet nodig. Vooral toen in Drenthe veel turf werd gestoken, was het een belangrijk gewas voor de lokale bevolking. Die bevolking was natuurlijk arm en aangezien voor de teelt van boekweit geen bijzondere investeringen nodig waren, was het daarom ook logisch dat het areaal in Drenthe rond Emmen in de 19eeeuw rond de 2.000 hectare bedroeg. 

Tegenwoordig bestaat er nauwelijks nog een teelt van boekweit in Nederland. Nu weet ik, als gids op het Dwingelderveld, dat ze daar nog een paar akkers met boekweit verbouwen.

De plant is niet moeilijk te herkennen. De bladeren zijn tamelijk groot, hart- dan wel pijlvormig, zittend op een roodachtige stengel. In de zomermaanden bloeien de witte tot roze bloempjes, die in een soort pluim groepsgewijs bij elkaar staan. De zaden, waaruit het boekweitmeel wordt gewonnen, zijn driehoekig van vorm en lijken een beetje op kleine beukennootjes. Als je de naam boekweit ontleedt, dan duidt de term “boek” ook daarop. Dat staat voor “beuk”.

Verschenen 12 september 2018