Holenduif

In het verleden heb ik mij ingezet voor kerkuilen. Het begon in Utrecht, waarna ik vervolgens in Engeland, Groningen en tot slot Drenthe vele jaren nestkasten heb gecontroleerd. In al die jaren kom je naast de vele jonge kerkuilen soms bijzondere zaken tegen. Zo kwam ik in een muizenrijk jaar minstens 25 dode veldmuizen tegen, die rondom de vijf jonge kerkuilen lagen. Verder vond ik ooit de stekelige huid van een egel, maar die was hoogstwaarschijnlijk door een steenmarter naar binnen gebracht.

Naast kerkuilen kwam ik ook wel eens een andere broedende vogel tegen in een kerkuilennestkast. Bedenk daarbij dat die nestkast meestal in of aan een gebouw hangt. Soms een kauw of een torenvalk, echter meestal een holenduif. Dat is het iets kleinere broertje van de zeer algemene houtduif. Zoals zijn naam al doet vermoeden, broedt deze vogel van oorsprong in natuurlijke holtes. Aangezien deze hier meestal in bomen voorkomen, komt de holenduif van oorsprong in bosrijke omgevingen voor. Nu kan een holenduif wel voedsel vinden in een bos, echter hij vliegt met gemak 20 kilometer naar een akker buiten het bos waar nog wat graan is achtergebleven.

De holenduif lijkt zo op het oog veel op de houtduif. Alleen de witte vlekken op de nek en de kenmerkende witte streep op de vleugels ontbreken bij hem. Daarnaast zul je hem niet zo gauw in een dorp of stad tegenkomen, het is meer een plattelandsvogel. Zeldzaam is hij echter niet, tegenwoordig komen er zo’n 50.000 broedparen in ons land voor.

Het broedseizoen van de holenduif is vrij lang, normaal gesproken van maart tot in oktober. Het is zelfs al voorgekomen dat er al in januari eieren waren. Dat lange broedseizoen heeft voordelen. Zo kan hij meerdere broedsels groot brengen, soms wel vijf in een jaar! Een ander voordeel is dat de spaarzame holtes door andere vogels bezet kunnen zijn. Dan wacht hij geduldig af tot die klaar zijn en begint daarna alsnog.

Verschenen 5 mei 2021