Akelei

We kunnen er dit jaar niet omheen, door de zachte winter (was het überhaupt wel een winter zou je kunnen afvragen?) komen planten en dieren veel eerder  tevoorschijn dan in jaren met strenge vorst en/of sneeuw. Dat warmere weer weer heeft de nodige consequenties. Zo lopen personen met een pollenallergie eerder met een snotneus of tranende ogen rond. Boeren en tuinders zullen sneller het land op moeten en voor de moes- en siertuin komen de eerste schoffels al uit het vet om het onkruid te wieden. Gelukkig niet alleen onkruid, de sierplanten komen natuurlijk ook al tevoorschijn. Daarvoor heb je immers de tuin aangelegd.

In mijn siertuin zijn de iets blauwgroene bladeren van de akelei alweer zichtbaar. In allerlei kleuren komt hij in menig siertuin voor. Zoals het met veel sierplanten is, komt hij van oorsprong uit het wild, echter niet uit een of andere exotisch land. De wilde akelei komt in Zuid-Limburg en Oost-Gelderland op sommige plekken zelfs van nature voor. Zijn normale verspreiding zijn de gematigde zones van Europa. Deze wilde variëteit heeft in het algemeen paarsblauwe bloemen, hoewel sporadisch witte en roze exemplaren kunnen voorkomen.

Het meest opvallend aan de akelei is natuurlijk zijn bloem. Als deze in bloei staat, hangt de bloem als het ware naar beneden, waardoor een vijftal sporen naar boven steken. Deze sporen zijn een verlenging van de vijf kroonbladeren en bevatten in het topje de nectar. Nu is die spoor voor insectenbegrippen relatief lang. Niet erg handig zou je zeggen als je van bevruchting afhankelijk bent van deze zespotigen. Gelukkig zijn er hommels die wel in staat zijn om bij de kostbare nectar te komen. De algemeen voorkomende tuinhommel heeft een relatief lange tong van ongeveer twee centimeter en kan het zoete goedje daarmee tot zich nemen. Tegelijkertijd zorgt hij voor de bestuiving van de bloem. Een andere kandidaat is de akkerhommel. Hoewel hij een iets kortere tong heeft, kan hij er eveneens van genieten.

Verschenen 15 april 2020